Joden in de oorlog

De bezetting 1942-1944

In juni 1942 maakten de Duitse bezetters aan de Joodse gemeenschap bekend dat zij totaal verwijderd zullen worden uit Nederland.
3 mei 1942: vanaf deze dag moeten alle Joden in het openbaar een gele ster dragen. Op enkele plaatsen werd hier tegen geprotesteerd door de Nederlandse bevolking.
Begin 1942 kregen de Joodse bewoners van plaatsen in Noord- en Zuid Holland en Zeeland opdracht zich te vestigen in Amsterdam, in als ‘Joods” aangemerkte buurten. In de periode erna worden steeds meer gebieden in Nederland verklaard als verboden gebied voor Joden.
In dezelfde periode werden werkkampen ingericht voor werkloze Joden. Dit waren de zogenoemde ‘pre-deportaties’, waarvoor 7500 mannen werden geronseld. Deze hadden zich op aandringen van de Joodse Raad aangemeld.

In de eerste helft van 1942 werd een serie verordeningen afgekondigd: Joden mochten geen fietsen, auto’s en openbaar vervoer meer gebruiken. Zij mochten niet meer telefoneren, en geen woningen van niet-joden niet betreden.
De avondklok voor joden werd uitgebreid van 6 uur ’s avonds tot 6 uur ’s morgens. Zij mochten alleen op bepaalde tijden in een klein aantal winkels inkopen doen.
In maart 1942 werd het verboden om met niet-Joden te trouwen of buitenechtelijk
geslachtsverkeer te hebben.

In juni 1942 instrueerde Eichmann, nazi-politicus, dat in juli of augustus begonnen moest worden met de deportatie van Joden uit Nederland, België en Frankrijk. Westerbork werd aangewezen als doorgangskamp voor Nederland.
Slechts 17.500 mensen konden een vrijstelling krijgen wegens ‘onmisbaarheid’. Later kwamen daar nog 25.000 erbij.
Juli 1942: de oproepen om zich te melden werden verstuurd. In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam meldde nog geen 2/3 van de mensen zich. De Duitsers gingen over tot razzia’s en pakten honderden joden op als gijzelaars. Hierop deed Joodse Raad een dringende oproep aan allen om zich te melden.

In de nacht van 14 op 15 juli 1942 vertrok de eerste trein met 962 mensen vanaf Amsterdam Centraal naar Westerbork.
Op 15 juli vertrokken 1135 mensen, vooral Duitse Joden, uit Westerbork naar Auschwitz. Tot 3 september 1943 worden 93.000 Joden uit Nederland naar vernietigingskampen gedeporteerd.

In oktober 1942 moesten ‘gemengd gehuwden’ zich laten registreren.
In mei 1943 moest de Joodse Raad 7000 mensen aanwijzen van wie de beschermde status ingetrokken kon worden. Omdat de mensen zich niet meldden, voerden de Duitsers opnieuw razzia’s uit. Vanaf dit moment gingen de Duitsers zonder overleg met de Joodse Raad te werk.
In januari 1943 richtten de Duitsers kamp Vught in als doorgangskamp. In 1943 zijn ongeveer 12.000 joden naar Vught gedeporteerd, datzelfde jaar werden er al 10.500 doorgezonden naar Westerbork.

Juni 1943: alle kinderen tot 16 jaar moesten Vught verlaten. Zij werden naar Westerbork gezonden en van daaruit naar Sobibor, waar zij bij aankomst direct vermoord werden.
Op 13 september 1944 vertrok de laatste deportatietrein naar Bergen-Belsen.