Joods en doof

[nextpage title=”Joodse mensen
in de dovengemeenschap” ]

Joodse mensen in de dovengemeenschap

In de dovengemeenschap wordt de geschiedenis vooral van persoon op persoon doorgegeven, de zogenoemde ‘oral history’. In de dovengemeenschap, waar gebarentalen de communicatievorm zijn, zou dit ‘sign history’ moeten heten.
Er zijn verhalen over de vooroorlogse periode van de Nederlandse dovengemeenschap. Volgens die verhalen was er toen een rijk bloeiend verenigingsleven en speelden Joodse doven een belangrijke rol in dat verenigingsleven. Joodse doven waren vaak zeer actief in het verenigingsleven, zaten in besturen of richtten verenigingen op.
Toen de Duitse bezetters in de Tweede Wereldoorlog Joden verbood om lid te zijn van verenigingen, stonden de dovenverenigingen stil. De deportatie en moord op Joodse doven heeft het dove verenigingsleven een enorme slag toegebracht. Het zou nog jaren duren voor dit weer enigszins op gang kwam. Dit feit is bekend in de dovengemeenschap.

Maar wie waren deze Joodse dove mensen? De namen van de vooraanstaande Joodse dove mensen zijn nog wel bekend maar de namen van de tientallen of misschien honderden anderen zijn niet bekend. Wie waren zij?

Het doel van dit onderzoek is om de namen te achterhalen van alle Nederlandse slachtoffers van de Shoah die Joods en doof waren. Naast het achterhalen van die namen is het ook een doel van dit onderzoek om, waar mogelijk, een persoonsbeschrijving te geven bij elke naam. Het einddoel is dat iedere Joodse dove persoon die in de Tweede Wereldoorlog vermoord is, genoemd en herinnerd wordt. Opdat zij niet vergeten worden.

[/nextpage]
[nextpage title=”Het onderzoek” ]

Het onderzoek

Uit ons onderzoek blijkt dat oud-leerlingen van de doveninstituten na het schoolverlaten vaak lid werden van een dovenvereniging. Doven voelden zich meer thuis en op hun gemak binnen de dovengemeenschap omdat de samenleving weinig toegankelijk was doordat communiceren in gesproken taal moeizaam verliep.
Voor Joodse doven gold dit waarschijnlijk ook, zij waren wellicht meer thuis in de dovengemeenschap dan in de samenleving en in de Joodse gemeenschap. Joodse dove kinderen die privé onderwijs kregen, groeiden thuis op, binnen het gezin en binnen de Joodse gemeenschap. Er mag aangenomen worden dat zij zich minder verbonden voelden met de dovengemeenschap. Immers, zij groeiden op te midden van horenden en gebruikten gesproken en/of geschreven taal.
Het feit dat zich onder de leden van dovenverenigingen geen doven bevinden die privé onderwijs kregen lijkt dit vermoeden te bevestigen.

Zoals genoemd, speelden Joodse doven een belangrijke en vaak leidende rol in het dove verenigingsleven. De Duitse bezetting betekende al snel voor alle Joden in Nederland het begin van een serie onderdrukkende en discriminerende maatregelen die uiteindelijk voor zeer velen leidde tot deportatie en moord. Er zijn zeer weinig Joodse dove overlevenden van de Tweede Wereldoorlog. Een zeldzame getuigenis is dat van Anna Vos-van Dam, die Auschwitz overleefde. Haar verhaal is verfilmd als “Anna’s Stille Strijd”.

[/nextpage]
[nextpage title=”De overlevingskans
van Joodse doven” ]

De overlevingskans van Joodse doven

De verhalen van hen die wel overleefden, tonen dat het doof zijn de kans op overleven sterk verminderde. Ten eerste op het praktische niveau: wie doof was hoorde de sirenes niet, hoorde bevelen van soldaten niet, kon niet via de radio informatie krijgen, kreeg informatie die via gesproken taal doorgegeven werd niet mee, kon moeilijk netwerken binnen de Joodse gemeenschap, had vaak een eenvoudig beroep en dus weinig geld, en wie wel het geld had kwam maar moeilijk aan een onderduikadres: doven vormden een groot risico omdat zij het horen als zij geluid maken. In ons onderzoek valt dan ook op dat vrijwel alle oud-leerlingen in de eerste transporten zaten.
Ten tweede vormde het doof-zijn een risico op ideologisch niveau: het nazisme streefde naar een Übermensch, raszuiver en zonder gebreken of beperkingen. In Duitsland werden alle, dus ook niet-Joodse, dove leerlingen van doveninstituten met een erfelijke vorm van doofheid gedwongen gesteriliseerd. De eerste vergassingsexperimenten werden uitgevoerd op verstandelijk gehandicapten. Dit zijn twee voorbeelden van de eugenetische praktijken van het nazisme.

In Nederland voerde de Duitse bezetter geen eugenetische maatregelen in. Het is nog maar weinig onderzocht of, en hoe, de oorlog andere en indringender gevolgen had voor gehandicapten in Nederland. In ieder geval was hier geen sprake van massale uitroeiing van verstandelijke gehandicapten zoals in Duitsland. Ook vond hier geen massale gedwongen sterilisatie van doven plaats.
Het feit dat niet-Joodse doven de Tweede Wereldoorlog nagenoeg ongeschonden door kwamen doet vermoeden dat Joods zijn een aantoonbaar groter risico op vervolging door de nazi’s’ was dan doof zijn. Wat wel duidelijk wordt uit individuele verhalen is het gehandicapt zijn een groter risico vormde bij elk contact met de nazi-soldaten. Zij waren duidelijk onwelwillender tegenover gehandicapten en konden impulsief iemand neerschieten. Het beste was dus om niet op te vallen.

Voor Joodse gehandicapten gold dus dat zij een dubbel risico hadden. Wat betreft Joodse doven weten we dat zij veelal in de eerste transporten zaten, vooral als het om dove gezinnen ging waarin alle gezinsleden doof waren. Bij aankomst werden zij vrijwel allen direct vergast. Slechts een enkeling ontliep de vergassing maar ging ook dan, door het niet kunnen horen, een gewisse dood tegemoet in de overlevingsstrijd in de kampen

[/nextpage]