De reactie van het dovenonderwijs op de Jodenvervolging

De Amsterdamse dovenschool

Ook het Amsterdamse instituut zette zich actief in voor het welzijn van haar Joodse leerlingen. Op 3 oktober 1942 schreef H.M. van der Zanden, directeur van het Amsterdamse instituut aan Büchli van het Groningse instituut dat op 1 oktober 16 Joodse leerlingen van school verwijderd waren: “ze loopen thans zonder onderwijs langs de straat”. Het Departement had nog niet besloten maar hij had wel in de krant Het Vaderland gelezen dat Joodse dove en blinde kinderen wellicht op hun eigen scholen konden blijven.
Van der Zanden schreef aan Büchli dat hij daags tevoren nog een telegram had gestuurd aan het Departement, in aanvulling op een eerdere brief met het verzoek om Joodse leerlingen te mogen behouden. Er moest echter afgewacht worden, schreef hij, de beslissing lag in handen van de bezettende mogendheid.
Het jaarverslag over 1942 van de Amsterdamse school vermeldt het volgende: “Tot onze groote spijt hebben wij enkele leerlingen moeten verliezen; voor eenige anderen leven wij in vrees.”

De spanningen in de Nederlandse samenleving lieten zich ook binnen de Amsterdamse dovenschool zien, zoals de volgende tekst uit het jaarverslag over 1941 laat zien.

“Politieke spanningen buiten de school deden ook daar binnen hun invloed gelden. Door verstandig overleg met de ouders en door strenge tucht wist de directeur de goede orde te handhaven. Hierin werd hij gesteund door den goede geest van heel het onderwijzend personeel, waaraan het is te danken, dat het onderwijs op alleszins bevredigende wijze is kunnen doorgaan.”

 
Een deel van het personeel van de Amsterdamse dovenschool, en van haar bestuur, was Joods. Op last van de Duitse bezetter mocht het Joodse personeel niet meer werkzaam zijn. Het jaarverslag over 1940 noemt dat de school met leedwezen beproefde en trouwe krachten moest zien heengaan: mej. Druif, mevr. Drukker-Vijevano, dhr. Klein en mej. Hilsum.
In 1941 zocht de school een vervanger voor mejuffrouw Druif, die in 1936 nog haar zilveren jubileum had gevierd en in 1941 dus 30 jaar werkzaam was op de Amsterdamse dovenschool. Volgens een oud-leerlinge is mej. Druif op een dag uit haar woning opgehaald door de Duitsers. Haar verdere lot is niet bekend.
Het jaarverslag over 1943 vermeldt het overlijden van oud-onderwijzeres mevr. Drukker-Vijevano op 3 mei. Mevrouw Drukker was kleuteronderwijzeres. In het archief van de Joodse Raad is een brief gevonden waarin vermeld staat dat Elisabetha Drukker-Vijevano onder druk van de omstandigheden op een dag tussen 6 en 17 mei 1943 een einde aan haar leven had gemaakt.
Dhr. Klein was in 1940 al twintig jaar in dienst als godsdienstonderwijzer (voor de Joodse leerlingen). Dhr. Klein overleed volgens de personeelslijst in het absentieboek van de Amsterdamse dovenschool op 20 november 1941. Over het lot van mej. Hilsum, die sinds 1938 onderwijzeres was in de voorschool is nog geen informatie gevonden.