Joods en doof



De overlevingskans van Joodse doven

De verhalen van hen die wel overleefden, tonen dat het doof zijn de kans op overleven sterk verminderde. Ten eerste op het praktische niveau: wie doof was hoorde de sirenes niet, hoorde bevelen van soldaten niet, kon niet via de radio informatie krijgen, kreeg informatie die via gesproken taal doorgegeven werd niet mee, kon moeilijk netwerken binnen de Joodse gemeenschap, had vaak een eenvoudig beroep en dus weinig geld, en wie wel het geld had kwam maar moeilijk aan een onderduikadres: doven vormden een groot risico omdat zij het horen als zij geluid maken. In ons onderzoek valt dan ook op dat vrijwel alle oud-leerlingen in de eerste transporten zaten.
Ten tweede vormde het doof-zijn een risico op ideologisch niveau: het nazisme streefde naar een Übermensch, raszuiver en zonder gebreken of beperkingen. In Duitsland werden alle, dus ook niet-Joodse, dove leerlingen van doveninstituten met een erfelijke vorm van doofheid gedwongen gesteriliseerd. De eerste vergassingsexperimenten werden uitgevoerd op verstandelijk gehandicapten. Dit zijn twee voorbeelden van de eugenetische praktijken van het nazisme.

In Nederland voerde de Duitse bezetter geen eugenetische maatregelen in. Het is nog maar weinig onderzocht of, en hoe, de oorlog andere en indringender gevolgen had voor gehandicapten in Nederland. In ieder geval was hier geen sprake van massale uitroeiing van verstandelijke gehandicapten zoals in Duitsland. Ook vond hier geen massale gedwongen sterilisatie van doven plaats.
Het feit dat niet-Joodse doven de Tweede Wereldoorlog nagenoeg ongeschonden door kwamen doet vermoeden dat Joods zijn een aantoonbaar groter risico op vervolging door de nazi’s’ was dan doof zijn. Wat wel duidelijk wordt uit individuele verhalen is het gehandicapt zijn een groter risico vormde bij elk contact met de nazi-soldaten. Zij waren duidelijk onwelwillender tegenover gehandicapten en konden impulsief iemand neerschieten. Het beste was dus om niet op te vallen.

Voor Joodse gehandicapten gold dus dat zij een dubbel risico hadden. Wat betreft Joodse doven weten we dat zij veelal in de eerste transporten zaten, vooral als het om dove gezinnen ging waarin alle gezinsleden doof waren. Bij aankomst werden zij vrijwel allen direct vergast. Slechts een enkeling ontliep de vergassing maar ging ook dan, door het niet kunnen horen, een gewisse dood tegemoet in de overlevingsstrijd in de kampen