Joden in de oorlog

[nextpage title=”De bezetting
1940-1941″ ]

De bezetting: 1940 – 1941

In mei 1940 werd Nederland door de Duitsers bezet.
In juli 1940 beval de bezetter dat Joden geen deel meer mochten uitmaken van de luchtbescherming. Nederlandse autoriteiten stuurden Joodse leden naar huis. In het bedrijfsleven, de omroep en de pers werden Joden preventief ontslagen omdat werkgevers zich wilden aanpassen aan de bezetters.
Op 22 oktober 1940 kwam het bevel dat Joden hun economisch eigendom moesten laten registreren. Ruim 20.000 ondernemingen werden als “Joods” bestempeld.
In november 1940 bevalen de Duitse autoriteiten dat alle Joden die ambtelijke en publieke functies vervulden, geregistreerd moesten worden. Werknemers die niet Joods waren, moesten een Ariërverklaring tekenen. Ruim 2500 Joden werden ontslagen, de Nederlandse ambtenaren reageerden gelaten.
Op 22 oktober 1940 werd Verordening 189 afgekondigd: er moest bepaald worden wie Joods was. Iedereen met tenminste 1 Joodse grootouder moest zich melden.
Dit viel samen met de invoering van de persoonsbewijzen. Bij Joden werd een zwarte letter J in het persoonsbewijs gestempeld.

Februari 1941 lokten Nederlandse Nazi’s rellen uit in Amsterdam, waarna een pogrom plaats vond in de Joodse wijk bij het Waterlooplein. Het Duitse gezag riep vooraanstaande Joden bij zich en beval een Joodse Raad in te stellen. Abraham Asscher en David Cohen namen het voorzitterschap op zich.
Op 13 februari 1941 dringt de Joodse Raad er bij de Amsterdamse Joden op om hun wapens in te leveren. Op 22 en 23 februari vonden in Amsterdam razzia’s plaats. De Nederlandse bevolking protesteerde: dit was de Februaristaking.

Op 12 maart 1941 houdt Seyss-Inquart, nazi-politicus en Rijkscommissaris van Nederland, een rede in het Amsterdamse concertgebouw waarin hij stelt dat Joden geen deel uitmaken van het Nederlandse volk. Hij kondigde een complete scheiding van Joden uit het maatschappelijk en economisch leven aan. Joden werden nu niet meer beschermd door het Nederlandse staatsburgerschap.
In de loop van 1941 werd de bewegingsvrijheid van Joden steeds verder ingeperkt: zij mochten geen gebruik maken van openbare gebouwen en voorzieningen als markten, parken, horecabedrijven, schouwburgen, bioscopen, zwembaden, concerten, openbare bibliotheken of musea. Er vond een controle en administratie plaats van het gaan en staan en het persoonlijk leven, ook wat betreft eigen huishouding, partnerkeuze en huwelijk.
Joodse leerlingen en studenten werden uitgesloten uit scholen en universiteiten. Er werden aparte joodse scholen voor lager en voortgezet onderwijs opgericht, in 34 grotere plaatsen. Leerlingen uit kleinere plaatsen moesten reizen maar konden dit niet of moeilijk door reisbeperkingen. Sociale en culturele instellingen mochten geen joodse leden hebben. De Duitsers werkten toe naar een complete segregatie.
Handelaren werden uitgesloten van markten en handel. Winkels werden onteigend. De wettelijke bescherming arbeidsovereenkomsten werd opgeheven als het om Joden ging.
Pensioenaanspraken moesten worden ingeruild voor een symbolische afkoopsom. Banktegoeden moesten overgemaakt worden naar Lippmann-Rosenthal & Co.
Joden mochten niet meer emigreren. Tenslotte werden percelen grond onteigend, beslag gelegd op huisraad en getto’s gevormd.

In juli en augustus 1941 vond een nieuwe golf anti-Joods geweld plaats. Nazi’s vielen synagogen en gebouwen van joodse gemeenten aan in Deventer, Amersfoort, Apeldoorn, Beverwijk, Den Haag en Hengelo. In Goor werd de echtgenote van een joodse arts vermoord.
In de nacht van 13 op 14 september 1941 reden er overvalwagens in Oldenzaal, Enschede en Hengelo en vonden deportaties naar Mauthausen plaats. Enkele weken later waren er razzia’s in Gelderland: tientallen mannen werden weggevoerd uit Apeldoorn, Doesburg, Rheden en Arnhem.

Op 27 augustus 1941 hadden zich 160.820 Joden aangemeld voor registratie. Daarvan waren 140.552 volle Joden, 15.549 half-Joden en 5719 kwart-Joden.
Niet iedereen registreerde zich, en dat bleef vooralsnog zonder gevolgen. De meerderheid gehoorzaamde wel aan de bevelen van de bezetters.

[/nextpage]

[nextpage title=”De bezetting
1942-1944″ ]

De bezetting 1942-1944

In juni 1942 maakten de Duitse bezetters aan de Joodse gemeenschap bekend dat zij totaal verwijderd zullen worden uit Nederland.
3 mei 1942: vanaf deze dag moeten alle Joden in het openbaar een gele ster dragen. Op enkele plaatsen werd hier tegen geprotesteerd door de Nederlandse bevolking.
Begin 1942 kregen de Joodse bewoners van plaatsen in Noord- en Zuid Holland en Zeeland opdracht zich te vestigen in Amsterdam, in als ‘Joods” aangemerkte buurten. In de periode erna worden steeds meer gebieden in Nederland verklaard als verboden gebied voor Joden.
In dezelfde periode werden werkkampen ingericht voor werkloze Joden. Dit waren de zogenoemde ‘pre-deportaties’, waarvoor 7500 mannen werden geronseld. Deze hadden zich op aandringen van de Joodse Raad aangemeld.

In de eerste helft van 1942 werd een serie verordeningen afgekondigd: Joden mochten geen fietsen, auto’s en openbaar vervoer meer gebruiken. Zij mochten niet meer telefoneren, en geen woningen van niet-joden niet betreden.
De avondklok voor joden werd uitgebreid van 6 uur ’s avonds tot 6 uur ’s morgens. Zij mochten alleen op bepaalde tijden in een klein aantal winkels inkopen doen.
In maart 1942 werd het verboden om met niet-Joden te trouwen of buitenechtelijk
geslachtsverkeer te hebben.

In juni 1942 instrueerde Eichmann, nazi-politicus, dat in juli of augustus begonnen moest worden met de deportatie van Joden uit Nederland, België en Frankrijk. Westerbork werd aangewezen als doorgangskamp voor Nederland.
Slechts 17.500 mensen konden een vrijstelling krijgen wegens ‘onmisbaarheid’. Later kwamen daar nog 25.000 erbij.
Juli 1942: de oproepen om zich te melden werden verstuurd. In Amsterdam, Den Haag en Rotterdam meldde nog geen 2/3 van de mensen zich. De Duitsers gingen over tot razzia’s en pakten honderden joden op als gijzelaars. Hierop deed Joodse Raad een dringende oproep aan allen om zich te melden.

In de nacht van 14 op 15 juli 1942 vertrok de eerste trein met 962 mensen vanaf Amsterdam Centraal naar Westerbork.
Op 15 juli vertrokken 1135 mensen, vooral Duitse Joden, uit Westerbork naar Auschwitz. Tot 3 september 1943 worden 93.000 Joden uit Nederland naar vernietigingskampen gedeporteerd.

In oktober 1942 moesten ‘gemengd gehuwden’ zich laten registreren.
In mei 1943 moest de Joodse Raad 7000 mensen aanwijzen van wie de beschermde status ingetrokken kon worden. Omdat de mensen zich niet meldden, voerden de Duitsers opnieuw razzia’s uit. Vanaf dit moment gingen de Duitsers zonder overleg met de Joodse Raad te werk.
In januari 1943 richtten de Duitsers kamp Vught in als doorgangskamp. In 1943 zijn ongeveer 12.000 joden naar Vught gedeporteerd, datzelfde jaar werden er al 10.500 doorgezonden naar Westerbork.

Juni 1943: alle kinderen tot 16 jaar moesten Vught verlaten. Zij werden naar Westerbork gezonden en van daaruit naar Sobibor, waar zij bij aankomst direct vermoord werden.
Op 13 september 1944 vertrok de laatste deportatietrein naar Bergen-Belsen.

[/nextpage]

[nextpage title=”De concentratiekampen” ]

De concentratiekampen

Vanaf begin 1941 tot het najaar van 1943 waren 140.000 Joodse Nederlanders in de greep van de bezetters. Tussen 15 juli 1942 en 17 september 1944 werden 107.000 mensen gedeporteerd. Daarvan overleefden 5200 mensen.
Daarnaast konden 20.000 mensen vluchten of onderduiken. 5000 mensen werden vrijge-
steld van deportatie. 10.500 gemengd gehuwde Joden mochten in Nederland blijven. De overlevenden waren vooral mensen uit de hogere en middenklasse. Het Joodse proletariaat werd vrijwel geheel uitgeroeid.

De reis naar de concentratiekampen
De reis naar Bergen-Belsen duurde 1 etmaal. Bergen-Belsen was vooral een gevangenenkamp. Tussen 11 januari en 13 september 1944 kwamen daar 8 transporten aan met 3751 Joden uit Nederland.

De reis naar Auschwitz-Birkenau duurde 2 etmalen. De transporten vonden plaats tussen 15 juli 1942 tot 23 februari 1943 en tussen 24 augustus 1943 tot 3 september 1944. In totaal ging het om 67 treinen met ongeveer 60.000 Joden uit Nederland, die omkwamen door ‘vernietiging door arbeid’ of door gas. Ongeveer 500 mensen overleefden.

De reis naar Theresienstadt duurde eveneens 2 etmalen. Dit was een ‘modelkamp’ waar men een hogere overlevingskans had, omdat dit het kamp was dat aan bijvoorbeeld het Rode Kruis werd getoond. Vanaf april 1943 tot september 1944 kwamen daar 7 treinen aan met in totaal bijna 5000 Joden uit Nederland.

De reis naar Sobibor duurde 3 etmalen. Tussen 2 maart en 20 juli 1943 kwamen daar 19 treinen aan met 34.000 Joden uit Nederland. Hier vond alleen snelle massamoord plaats, in gaskamers. Slechts 20 mensen overleefden.

[/nextpage]