Dovenonderwijs

[nextpage title=”Dovenonderwijs en
de dovengemeenschap” ]

Dovenonderwijs en de dovengemeenschap

Het onderwijs aan dove kinderen heeft een belangrijke rol gespeeld bij het ontstaan van de dovenverenigingen. Tot in de jaren 1980 hadden de meeste doveninstituten een internaat waar dove kinderen van jongsaf aan samen opgroeiden. Leerlingen van dagscholen voor dovenonderwijs verbleven meestal in pleeggezinnen. Dove kinderen gingen vanaf 1911 al jong naar een internaat of pleeggezin, al op de leeftijd van ongeveer drie jaar. Zij bleven daar tot hun opleiding afgerond was, vaak rondom de leeftijd van 18 jaar. Tot in de jaren 1960 gingen zij alleen in de paasvakantie, zomervakantie en kerstvakantie naar huis. Daar kwamen de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie bij.
Pas vanaf medio 1975 werd het mogelijk om ook in de weekenden naar huis te gaan. Dove kinderen vormden dus zo al jong gemeenschappen waarin zij onderling hun eigen taal gebruikten, de gebaren. De doveninstituten deden er alles aan om het gebruik van gebaren tegen te gaan omdat het hun doel was dat dove kinderen leerden spreken. Zij konden echter niet voorkomen dat dove kinderen onderling en uit zichzelf gebaren gebruikten.

Na het verlaten van de school, toen dove kinderen dove volwassenen geworden waren, werd het onderlinge contact voortgezet in dovenverenigingen. Het opgroeien buiten het gezin en de communicatieproblemen tussen doven en horenden maakten dat doven zich vaker thuis voelden binnen de dovengemeenschap dan binnen de eigen familie.

[/nextpage]
[nextpage title=”Speciaal onderwijs en leerplicht” ]

Speciaal onderwijs en leerplicht

De dovengemeenschap is feitelijk ontstaan vanuit het dovenonderwijs. Belangrijk is echter wel om te realiseren dat de leerplicht aanvankelijk niet gold voor kinderen met een beperking of chronische ziekte. In Nederland geldt sinds 1900 een leerplicht, maar met een vrijstelling ervan als een kind ernstig en blijvend ziek was of een gebrek had waardoor het geen (gewoon) onderwijs kon volgen. Voor het speciaal onderwijs gold geen leerplicht omdat dit niet als onderwijs maar als zorg werd beschouwd.

Pas vanaf 1947 geldt de leerplicht ook voor het speciaal onderwijs. Dat er geen leerplicht was voor het speciaal onderwijs betekent dus dat het mogelijk is dat waarschijnlijk niet alle dove kinderen naar een doveninstituut gingen. Vermogende ouders waren wellicht in staat om hun dove kind privé onderwijs te geven. Dove kinderen van ouders die geen geld hadden voor privé onderwijs en die hun kind niet naar een instituut ver van huis wilden sturen, groeiden zonder onderwijs op.

Het is vrijwel onmogelijk om te achterhalen hoeveel dove kinderen in de periode voorafgaand aan 1947 privé onderwijs kregen, of helemaal niet onderwezen werden. Onderzoek toont echter wel dat volgens een rapport van de Inspecteur van het Buitengewoon Lager Onderwijs (het huidige speciaal onderwijs) uit 1938, bijna alle dove kinderen onderwezen werden. Hetzij in een doveninstituut, hetzij door privé onderwijs.
Er zijn enkele cijfers bekend: in 1900 waren 483 kinderen in een doveninstituut geplaatst en in 1940 hadden de doveninstituten gezamenlijk 890 leerlingen.

[/nextpage]
[nextpage title=”De doveninstituten” ]

De doveninstituten

Het dovenonderwijs is in Nederland de oudste vorm van speciaal onderwijs, en begon al in 1790. Lange tijd bestonden er in Nederland vijf doveninstituten. Drie doveninstituten hadden een internaat, de andere twee waren dagscholen. Van die vijf doveninstituten waren drie instituten openbaar (Groningen, Rotterdam en Amsterdam), één instituut was katholiek (Sint-Michielsgestel) en één instituut was protestants (Effatha).
Tegen het einde van de 20e eeuw ontstonden na een aantal fusies twee grote organisaties voor onderwijs en zorg aan personen met een auditieve en/of communicatieve beperking: de Koninklijke Kentalis Groep en de Koninklijke Auris Groep.

Vrijwel alle Joodse dove slachtoffers uit ons onderzoek waren oud-leerlingen van één van de drie openbare doveninstituten. Om een idee te geven van de verdeling naar godsdienst op die drie openbare doveninstituten: in 1930 waren op het Amsterdamse doveninstituut 86 protestantse kinderen, 24 Joodse kinderen, 7 katholieke kinderen en 1 islamitisch kind. Op het Groningse doveninstituut zaten in 1930 165 protestantse kinderen, 5 Joodse kinderen en 3 katholieke kinderen. Het Rotterdamse doveninstituut stopte in 1912 met het vermelden van de godsdienst van leerlingen. In het schooljaar 1911-1912 had het 114 protestantse leerlingen, 5 Joodse leerlingen en 16 katholieke leerlingen.

Het Instituut voor Doven en Stommen te Groningen

Dit openbare instituut met internaat werd in 1790 opgericht door dominee Henri Daniël Guyot en stond van meet af aan open voor Joodse leerlingen. Deze verbleven van 1843 tot 1927 in een eigen kosthuis, zodat zij de godsdienstige gewoontes en wetten konden naleven. Wegens daling van het aantal Joodse leerlingen werd het Israëlitisch kosthuis in 1927 gesloten. Die daling lijkt te maken te hebben met de oprichting van een doveninstituut in Amsterdam, in 1911. Het Groningse instituut voorzag in godsdienstonderwijs naar de eigen geloofsrichting, buiten de schooluren. Het onderwijs was gratis voor kinderen van onvermogende of minvermogende ouders. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de school gevestigd aan het Guyotplein in de stad Groningen.
Website: Kentalis Historie

De Inrichting ter Onderwijzing van Doven en Stommen te Rotterdam

Dit openbare instituut was een dagschool en werd opgericht in 1853 door de arts Machiel Polano die twee dove kinderen had. Het gezin Polano was Joods. Leerlingen die te ver van school woonden verbleven in pleeggezinnen.
Ook dit instituut bood gratis onderwijs aan kinderen van onvermogende of minvermogende ouders. De school verzorgde apart godsdienstonderwijs voor de verschillende geloofsrichtingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de school gevestigd aan de Ammanstraat in de stad Rotterdam.

Ammanschool voor onderwijzing van doofstommen te Amsterdam

Dit neutrale doveninstituut werd als laatste opgericht, in 1911. Het initiatief voor deze school lag bij de oorarts Hendrik Burger. Het was een dagschool en leerlingen die te ver van de school woonden, verbleven in pleeggezinnen.
De school verzorgde apart godsdienstonderwijs voor de verschillende geloofsrichtingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de school gevestigd aan het Hortusplantsoen in de stad Amsterdam.
Website:Kentalis Historie.

[/nextpage]